juni 18, 2026

Voorbereiding Suriname op de olie- en gasinkomsten is een race tegen de klok

“We moeten mensen leren hengelen en geen vis geven.” Een bekende uitspraak. Armoede oplossen vraagt om een genuanceerd en diepgaand begrip van de samenleving. De olie- en gasopbrengsten kunnen materieel leed verlichten en via allerlei subsidies zorgen voor betere toegang tot zorg en onderwijs. Maar de vraag is: hoe richt je dat duurzaam in? En sterker nog: hoe veranker je dat in de intrinsieke verdiencapaciteit van het land, rekening houdend met een diversiteit aan werkattitudes en werkritmes? Landbouw en toerisme lijken mij prima sectoren om verder te ontwikkelen. Maar ook cultuur, natuur en de kennisindustrie zouden sterker gestimuleerd kunnen worden, vindt socioloog Kirtie Algoe.

Zij staat sceptisch tegenover de olie- en gasontwikkelingen, omdat verschillende signalen volgens haar wijzen op het risico van de grondstoffenvloek. “Wij kunnen bijvoorbeeld denken aan de waarschuwingen van het Internationaal Monetair Fonds, de uitspraken van de huidige president over onze readiness, de stijgende grondprijzen in bepaalde gebieden, de status van het zogenoemde spaarfonds, het tekort aan arbeidskrachten, en ga zo maar door. Het ergste vind ik dat de midden- en lagere klasse hier uiteindelijk de grootste klappen van kan krijgen. Zij zijn vaak de uiteindelijke betalers van harde besluiten en niet-transparante afspraken die door een kleine elite worden gemaakt. Nu al hebben we moeite om grond te bemachtigen, voldoende leerkrachten en onderwijskwaliteit te behouden en toegang te krijgen tot goede gezondheidszorg. Over de vanzelfsprekende ruggengraat van een samenleving – cultuur, kennis en sport – zeg ik nog niets. Kort gezegd: het land implodeert.”

Volgens Algoe is de basis momenteel te fragiel om straks het gewicht van de industrie te dragen. Een slimme begroting, krachtige wetgeving en diverse fondsen bieden volgens haar onvoldoende soelaas, omdat Suriname met drie fundamentele en historische uitdagingen kampt die vaak worden genegeerd.

“Ten eerste werkt onze sociaal-economische afhankelijkheidsstructuur nog altijd door, ook in 2026. Ons historisch besef is laag, behalve wanneer er een financieel belang aan gekoppeld is. Ten tweede is discontinuïteit hier eerder regel dan uitzondering. Onze politieke cultuur wordt gekenmerkt door selectieve vijandschappen en kameraadschappen tussen mensen die tegelijkertijd een samenleving moeten besturen en vormgeven. Dat wordt vaak pragmatisme genoemd, terwijl mijn analyse dan als theoretisch wordt weggezet. Ten derde hebben we een zeer lage realisatiegraad van plannen. Als samenleving krijgen we niet zelden het verwijt dat we veel praten, maar weinig uitvoeren. Kijk bijvoorbeeld naar de realisatie van slechts ongeveer 10 procent van de ruim vijfhonderd projecten uit het Financieel Jaarplan 2026. Dat is ontzettend laag. Dit cijfer illustreert een groter probleem: een lage productiviteit, een cultuur van wantrouwen en een voortdurende institutionele uitholling.”

Algoe meent dat eigenschappen als doorzettingsvermogen, optimisme, creativiteit, vakmanschap en het beschermen van idealen steeds moeilijker uitvoerbaar lijken binnen de huidige context. Volgens haar is de voorbereiding op de olie- en gasontwikkelingen een race tegen de klok tussen werkpaarden en sierpaarden. Naar haar oordeel lijkt de laatste groep groter dan de eerste. “De groepen die in de praktijk moeten uitvoeren en trekken, lopen er vaak de kantjes vanaf. Ik woonde onlangs een consultatieronde bij van een internationaal bedrijf in verband met een aankomend project. Het was ronduit beschamend dat vertegenwoordigers van de overheid direct na de eerste presentatieronde vertrokken, met een snack in de hand. Dat kan toeval zijn. Maar hun bijna massale passiviteit tijdens de discussieronde niet. Het was duidelijk dat velen de materie onvoldoende beheersten. De vragen die de leidinggevende van de overheidsdelegatie stelde aan de internationale sprekers en hun lokale vertegenwoordigers waren van zeer basale aard. Als een hearing al zo verloopt, hoe wil je dan een kritische gemeenschap zijn die een nieuwe industrie moet helpen ontwikkelen? De mensen die de materie wel begrijpen en zich daadwerkelijk inzetten, voeren bijna letterlijk een race tegen de klok.”

Toch ziet Algoe ook positieve ontwikkelingen. Zij wijst op de regelmatige kritische beschouwingen over de oliegedreven plannen. “Op verschillende niveaus wordt gewezen op het belang van nuchterheid en waakzaamheid. Dat lijkt mij voorlopig een goed teken, zeker gezien de grote onzekerheid op het wereldtoneel. Er heerst steeds meer een sfeer van de ‘wet van de sterkste’ in internationale relaties. Een belangrijke machtsfactor zijn energiebronnen, iets wat wij kunnen aanbieden, terwijl we verder relatief weinig strategische troeven hebben. Wie zijn onze bondgenoten? Hoe versterken wij onze onderhandelingspositie rond onze natuurlijke hulpbronnen? Ik probeer vanuit mijn ‘niet-oliebrein’ vooral het sociaal-maatschappelijke perspectief centraal te blijven stellen.”

Algoe is van mening dat Suriname op korte termijn alvast twee zaken moet aanpakken. Ten eerste: het smeden van een werkbare beleidsformule met gedreven en gedisciplineerde trekkers en uitvoerders. “Dus geen opsomming van wensen of behoeften, maar een goed doordacht beleid dat uitgaat van een grotere samenhang tussen beleidsgebieden, gebaseerd op inzicht in de lokale cultuur en kennis van bewezen successen, en ontwikkeld in samenwerking met een klein aantal regionale en internationale partners. Ten tweede: de uitvoering van een strategie waarin ons eigen kapitaal in de breedste zin van het woord prioriteit krijgt. Cultuur is onze ruggengraat; die moeten we verder ontwikkelen. Biodiversiteit is ons gegeven; dat moeten we benutten, met kennis en onderzoek als leidende motor. Voorwaardelijk daarbij is goed bestuur, waarmee je ordinair stelen of ‘legale’ disproportionele verrijking voorkomt. Alle andere hulpbronnen, dus ook gas en olie, zijn van tijdelijke aard. Zij mogen niet de focus worden. De hefboomfunctie van inkomsten uit deze sector voor andere ontwikkelingsgebieden moet daarom nauwlettend worden gemonitord. Crisis leert ons te contempleren: bezinnen en vervolgens opnieuw creëren. Een reset op gezonde fundamenten.”